PLUIMVEELOKET

VOEDER- EN STROOISELTYPE BEÏNVLOEDEN DE AMMONIAKCONCENTRATIES IN DE VLEESKUIKENSTAL

 

Ammoniakconcentraties op strooiselniveau kunnen in vleeskuikenstallen gereduceerd worden door een lager RE-gehalte in te mengen in het voeder, door te voederen naar behoefte of door pellets te voederen i.p.v. meel. Wat het strooiseltype betreft is het een moeilijke balans tussen enerzijds milieu en anderzijds dierenwelzijn: rul strooisel geeft minder voetzoollaesies maar hogere ammoniakconcentraties, terwijl aangekoekt strooisel meer laesies geeft, maar minder ammoniak. Dat waren de voornaamste conclusies uit het doctoraatsonderzoek van Madri Brink (ILVO / UGent).

Op 22 september 2022 verdedigde Madri Brink haar doctoraatsonderzoek met als titel ‘Source-oriented strategies to mitigate ammonia emission from broiler production’. Promotoren waren prof.dr.ir. Geert Janssens (UGent) en dr.ir. Evelyne Delezie (ILVO). De proeven die uitgevoerd werden, kaderden in het VLAIO-LA traject ‘Naar een meer duurzame pluimveehouderij via brongerichte vermindering van ammoniakemissie’ dat ILVO coördineerde en waar samengewerkt werd met partners Proefbedrijf Pluimveehouderij en Innovatiesteunpunt.

 

De vleeskuikenhouderij vormt een belangrijke bron van dierlijk eiwit maar gaat, net als andere veehouderijsectoren, gepaard met de productie van enkele schadelijke emissies. Ammoniak is de belangrijkste gasvormige vervuilende stof bij vleeskuikens. Mitigatiestrategieën om deze ammoniakemissies te reduceren, zijn aldus noodzakelijk. De voorkeur gaat naar brongerichte strategieën die bijkomend ook de kwaliteit van de lucht in de stal zelf verbeteren. Dit kan zowel het welzijn van de pluimveehouder als dit van de aanwezige dieren bevorderen.

Brink onderzocht tijdens haar doctoraat de effecten van een aantal brongerichte nutritionele en managementstrategieën op de strooiselkwaliteit en de ammoniakvervluchtiging uit het strooisel zonder daarbij prestaties, karkasrendement, vleeskwaliteit en dierenwelzijnsparameters als voetzool- en haklaesies uit het oog te verliezen. De nutritionele strategieën handelden vooral rond het verlagen van het ruw eiwitgehalte (RE) in het voeder, meerfasevoedering en de verstrekte voedervorm. Wat het management betreft, werden proeven uitgevoerd m.b.t. strooiseltype, rulheid en vochtgehalte van het strooisel.

Madri Brink

Het doctoraatsonderzoek van Madri Brink ging over brongerichte strategieën om ammoniakconcentraties in een vleeskuikenstal te reduceren

Nutritionele strategieën

In een eerste proef werd het RE in het voeder met 10% verlaagd tijdens zowel groeier- als finisherfase, weliswaar met toevoeging van essentiële aminozuren. Deze reductie deed geen afbreuk aan de prestaties, vleesopbrengst en vleeskwaliteit en zorgde in de laatste twee weken van de proef voor lagere ammoniakconcentraties op strooiselniveau. Een verdere reductie in RE (-20%) had een drastische daling in de prestaties tot gevolg en was dus niet wenselijk.

In een proef rond voedervorm bleek dat het verstrekken van een meelvoeder een betere strooiselkwaliteit en minder voetzool- en haklaesies tot gevolg had in vergelijking met een gepelleteerd voeder. De ammoniak kon echter makkelijker vervluchtigen uit het rulle strooisel, wat tot hogere ammoniakconcentraties op strooiselniveau leidde op vijf weken leeftijd. Prestaties en slachtopbrengst scoorden merkelijk slechter bij het verstrekken van meel.

Een derde nutritionele strategie die Brink bestudeerde, was het verstrekken van het voeder in meerdere fases (5 fases t.o.v. 3 fases). Tijdens elke fase werd het voeder samengesteld volgens de specifieke behoeftes die de vleeskuikens in die (levens)fase hadden. Uit de resultaten bleek een indicatie tot een hogere stikstofretentie en een lagere stikstofexcretie bij de vijffasevoedering met onveranderde prestaties en karkasrendement.

Managementstrategieën

Als eerste managementstrategie werden de effecten van verschillende strooiseltypes onderzocht op diverse parameters. Houtkrullen, vlaslemen, turf, maiskuilvoer, gehakseld tarwestro en gebroken vlaspellets – zes vaak gebruikte strooiseltypes in Europa of Vlaanderen - werden bestudeerd. Uit de resultaten bleek dat houtkrullen, vlaslemen en gehakseld tarwestro makkelijk een korst vormden wanneer het vochtgehalte steeg. Dit gaf aanleiding tot minder ammoniakvervluchtiging uit het strooisel, maar had wel meer voetzool- en haklaesies tot gevolg. Turf daarentegen bleef langer rul in de proef en veroorzaakte minder dierenwelzijnsproblemen maar leverde dan weer wel hogere ammoniakconcentraties op strooiselniveau op. Het meest geschikte strooiseltype kon niet afgeleid worden uit deze proef. Mogelijk is een mengeling van diverse strooiseltypes het meest optimaal om te gebruiken in de vleeskuikenstallen.

In een laatste proef werd nagegaan wat het effect was van de rulheid of het vochtgehalte van het strooisel op de ammoniakvervluchtiging. Bij regelmatig harken van het strooisel, werden hogere ammoniakconcentraties op strooiselniveau opgetekend. Er was een hogere microbiële activiteit waar te nemen in het strooisel waardoor meer stikstof omgezet werd in ammoniak. Toevoegen van water zorgde voor een slechtere strooiselkwaliteit en meer voetzoollaesies bij de vleeskuikens, maar vertoonde wel de laagste ammoniakconcentraties op strooiselniveau.

Meer informatie