PLUIMVEELOKET

Energie-, eiwit- en fosforgehaltes kunnen sterk verlaagd worden in het voeder van senior leghennen


In het VLAIO-project LEGLANGER tracht ILVO, samen met partners Proefbedrijf Pluimveehouderij en PeHeStat, de legronde van leghennen op een verantwoorde manier en zonder rui te verlengen tot 100 weken leeftijd. Daarbij moeten echter een aantal knelpunten, waaronder een verminderde schaalkwaliteit, overwonnen worden. Bestaat de mogelijkheid om die knelpunten weg te werken door de hennen te ondersteunen via het voeder en hebben ‘senior’ leghennen andere nutriëntenbehoeftes dan hun jongere collega’s? Dat zijn enkele van de vragen die LEGLANGER wil beantwoorden. ILVO-onderzoeker Sarah Teerlynck stelde de resultaten van enkele voederproeven in het kader van dit project voor op de webinars van het Proefbedrijf en van ILVO/Pluimveeloket. 

Knelpunten

Bij het verlengen van de legperiode kunnen pluimveehouders tegen verschillende obstakels aanbotsen. Er is niet alleen een grotere kans op een verminderde eischaalkwaliteit of een dalend legpercentage, ook diverse gezondheidsproblemen zoals botontkalking of leververvetting kunnen optreden. Om senior leghennen (leghennen ouder dan 70 weken) te ondersteunen via het voeder, is het belangrijk te weten wat de noden van die dieren nu effectief zijn. Deze kennis ontbreekt echter tot op vandaag en daarom wil LEGLANGER deze specifieke behoeften in kaart brengen. 

diagram

Om legrondes op een succesvolle manier te verlengen, dienen nog een aantal obstakels overwonnen te worden.

 

Voederen volgens behoefte

Voederen volgens behoefte van de leghen kan immers meerdere voordelen met zich meebrengen. Het kan de eiproductie beter garanderen, maar het kan ook zorgen voor een stabiel eigewicht. Dit kan vooral bij bruine leghennen van belang zijn zodat het eigewicht op latere leeftijd niet te fel doorstijgt. Wanneer een hen gevoederd wordt volgens haar behoefte en dus niets tekortkomt, zal de hen mogelijks ook langer in een goede gezondheid blijven. Maar ook de kostprijs van het voeder kan dalen wanneer zou blijken dat de senior leghen een lagere energie- of eiwitbehoefte heeft. Deze componenten bepalen namelijk in belangrijke mate de kostprijs van het voeder. 

Energie- en eiwitbehoefte

In een eerste pilootproef, die werd uitgevoerd aan het ILVO, werd dieper ingegaan op de energie- en eiwitbehoefte van de senior leghen. 288 bruine leghennen (Lohmann Brown) werden opgevolgd van 71 tot 87 weken leeftijd (4 periodes van 28 dagen). De proef bestond uit 4 voederbehandelingen (tabel 1): Het controlevoeder had een opneembaar energie (E)-gehalte van 2758 kcal en een ruw eiwitgehalte (RE) van 15,5%. Bij het ‘eiwit-reductievoeder’ was het RE-gehalte verlaagd naar 13,95% en werden ook de limiterende aminozuren verlaagd (E-gehalte zoals controle). Bij het ‘energie-reductievoeder’ was het E-gehalte verlaagd naar ca. 2600 kcal (RE-gehalte zoals controle). Bij het ‘energie- & eiwit-reductievoeder’ was zowel het E- als het RE-gehalte (incl. de limiterende aminozuren) verlaagd, resp. naar ca. 2600 kcal en 13,95%. 

tabelvoeders

Tabel 1: Samenstelling van de verschillende voeders in de energie- en eiwitproef

Ongewijzigde resultaten

Tijdens de proef werden de effecten van deze voederbehandelingen op prestaties, eikwaliteit, levergezondheid en vederkleedscores bestudeerd. Geen enkele parameter (legpercentage: zie fig.1) werd negatief beïnvloed door de testvoeders. Noch een reductie in opneembaar E- of RE-gehalte, noch de combinatie ervan, beïnvloedde de prestaties, eikwaliteit, levergezondheid en vederkleedscores bij de senior leghennen. Het was ook niet zo dat de hennen in deze proef fors meer voeder opgenomen hadden bij de groepen met de reductievoeders t.o.v. deze met het controlevoeder; iets wat kippen zouden kunnen doen om de tekorten in het voeder teniet te doen. Wel was er een grote variatie te zien in deze voederopname binnen de verschillende groepen.

grafiek3

Fig. 1: Een reductie in opneembaar E- of RE-gehalte (of een combinatie ervan) had geen effect op het legpercentage van de senior leghennen. Prestaties, eikwaliteit, levergezondheid en vederkleedscores bleven allen gelijkaardig in deze proef.  

Individuele proef

Daarom werd besloten om een extra proef uit te voeren waarin 32 Lohmann Brown-leghennen individueel werden opgevolgd. Ook bij deze kleinere proef werden echter geen verschillen genoteerd voor prestaties, eikwaliteit en levergezondheid. En ook hier werden geen verschillen in voederopname waargenomen. 

Fosfor

In een andere voederproef werd de fosforbehoefte van de senior leghen onderzocht. Vanuit verschillende hoeken is het interessant om de hoeveelheid fosfor in het voeder beter af te stemmen op de behoefte van de hennen. Een teveel aan fosfor in het voeder verhoogt onnodig de kostprijs ervan en bovendien wordt het teveel aan fosfor ook uitgescheiden en zorgt dit voor een bijkomende druk op het milieu. Verder is fosfor ook een eindige grondstof en wil men daarom ook het gebruik ervan zoveel mogelijk beperken. 

Fosforbehoefte senior leghen?

Maar ook hier is opnieuw niet geweten wat de fosforbehoefte is van de senior leghen. Momenteel wordt het fosforgehalte voor de oudere leghennen op een gelijkaardig niveau gehouden als dit voor de jonge leghennen zodat er zeker voldoende fosfor aanwezig is voor de senior leghennen. In het voeder moet echter ook met andere factoren rekening gehouden worden die van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid van het fosfor. Fosfor treedt bvb vaak in interactie met calcium; daardoor is ook de verhouding waarin calcium en fosfor aangeboden worden in het voeder van groot belang. Bovendien kan het enzyme fytase (wat via het voeder toegediend kan worden) ervoor zorgen dat er méér fosfor vrijgesteld kan worden in het voeder gezien dit enzyme de verbinding tussen fosfor en fytaat verbreekt. In plantaardige grondstoffen is immers een groot deel van het fosfor gebonden aan fytaat en dus in grote mate onbeschikbaar voor de leghen. Door dat fytase zal de hoeveelheid opneembaar fosfor in het voeder voor de hen ook stijgen. 

Proefopzet

In een fosfor-voederproef aan het ILVO werden acht verschillende voeders samengesteld. De hoeveelheid opneembaar fosfor (oP) bedroeg 0,45% bij het controlevoeder (referentiewaarde), en werd telkens in de andere testvoeders met een trap van 0,05% verlaagd tot de minimumwaarde van 0,11% oP bereikt werd. Dit was de laagste waarde die technisch mogelijk was met dit voeder. Het calciumgehalte werd in alle voeders constant gehouden op 4,35%. Deze 8 voeders werden verstrekt aan de Lohmann-Brown leghennen van 90 weken tot 102 weken leeftijd, en dit ofwel mét ofwel zonder extra fytase. Het effect van deze voeders op prestaties, eikwaliteit en botgezondheid werd bestudeerd. 

Resultaten

Er werden in deze proef echter geen effecten gezien van het oP-gehalte op de zoötechnische prestaties (o.a. legpercentage en voederopname), noch op eikwaliteit (intern en extern) of botbreuksterkte. Ook het feit of er al dan niet extra fytase werd toegevoegd zorgde niet voor een effect op deze parameters. 

Buigpunt ontbreekt

In deze voederproef werd gezocht naar een buigpunt, nl. de laagst mogelijke concentratie aan oP in het voeder waarbij (nog) geen negatieve effecten op prestaties, eikwaliteit of botgezondheid werden gedetecteerd. Ondanks het feit dat in deze proef zeer drastisch gereduceerd werd in oP-gehalte (van 0,45% naar 0,11%) werd nergens een negatief effect gezien en kon er dus ook geen buigpunt gedefinieerd worden in deze proef. 

voeder

Uit de energie- en eiwitproef bleek dat een RE-gehalte van 13,95% en een opneembaar E-gehalte van 2600 kcal voldoende is om prestaties en eikwaliteit te garanderen bij senior leghennen. Uit de fosforproef bleek dat ook het opneembaar fosforgehalte fors verlaagd kon worden (van 0,45% naar 0,11%).

Verklaringen 

Hiervoor zijn enkele verklaringen mogelijk. Zo kan het zijn dat het legpercentage in deze proef té laag (50 à 60%) lag om effecten te zien. Door dit lage legpercentage hebben deze hennen mogelijks uit zichzelf ook reeds een veel lagere Ca- en P-behoefte. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat de hoeveelheid oP in het voeder hoger lag dan wat theoretisch berekend werd. Misschien beschikt de kip toch over méér lichaamseigen fytase (en werd dit onderschat in de proef) waardoor de hen zelf meer fosfor in het voeder kan vrijzetten om dit dan te kunnen opnemen. Een derde verklaring zou kunnen gevonden worden in het feit dat het voeder in de proef gebaseerd was op tarwe. Tarwe bevat uit zichzelf ook al een vrij grote hoeveelheid fytase. Uit de resultaten van deze proef zou misschien zelfs gesuggereerd kunnen worden dat extra fosforsupplementatie bij tarwevoeders overbodig blijkt. Maar uiteraard moet dit nog op grotere schaal worden onderzocht. 

Besluit 

Uit de energie- en eiwitproef kon besloten worden dat een opneembaar energie-gehalte van 2600 kcal en een RE-gehalte van 13,95% nog steeds voldoende was bij senior leghennen om de productie en gezondheid van deze dieren te garanderen. Uit de fosforproef bleek dat ook een sterke reductie mogelijk was in het gehalte aan opneembaar fosfor (van 0,45% naar 0,11%) zonder prestaties, eikwaliteit en botbreuksterkte van senior leghennen negatief te beïnvloeden. Uiteraard is het gewenst om de huidige proeven ook op praktijkschaal uit te voeren. Een grotere proef loopt momenteel aan het Proefbedrijf Pluimveehouderij waarbij verschillende resultaten uit deze pilootproeven gebundeld worden. 

U kan de webinars van het Proefbedrijf en ILVO herbekijken via resp. de het Youtube-kanaal van de provincie Antwerpen, en via www.pluimveeloket.be/webinars2020. U kan meer informatie vinden over het LEGLANGER-project op het online platform via www.pluimveeloket.be/leglanger.
 

Tekst: Karolien Langendries (PLUIMVEELOKET) – Sarah Teerlynck, Annatachja De Grande & Evelyne Delezie (ILVO) – Ine Kempen (Proefbedrijf Pluimveehouderij)
Publicatiedatum: januari 2021