HOE VOETZOOLLAESIES BIJ VLEESKIPPEN EN KALKOENEN SCOREN EN VOORKOMEN?
Eind november organiseerden het Wetenschappelijk Referentiecentrum voor Dierenwelzijn van Landbouwhuisdieren (RefWel) en het Pluimveeloket een workshop rond het scoren en voorkomen van voetzoollaesies. Doel was een inzicht te geven in deze problematiek, risicofactoren aan te duiden en preventieve maatregelen aan te reiken. De theorie werd gecombineerd met een praktische sessie waarbij de deelnemers zelf voetzolen konden scoren van zowel vleeskuikens als kalkoenen.
Wat zijn voetzoollaesies?
Voetzoollaesies zijn letsels aan de voetzolen bij pluimvee waarbij een ontstekingsreactie ontstaat in het onderhuidse weefsel. Dit kan leiden tot een verdikking van de huid (hyperkeratose), ontstekingen (ulceraties) of zelfs het afsterven van weefsel (necrose). Daardoor daalt het welzijn van de dieren: ze hebben pijn, bewegen minder (of niet meer) en kunnen last hebben van opklimmende infecties. Een verminderde groei, hogere mortaliteit, meer afkeuringen of een lagere productkwaliteit kan hiervan het gevolg zijn.
Hoe vaak komt dit voor?
Anneleen Watteyn (ILVO/RefWel) haalde aan dat Belgische koppels in het slachthuis vandaag niet standaard gescoord worden op voetzoollaesies waardoor praktijkcijfers weinig tot niet voorhanden zijn. In Nederland is deze screening wel verplicht met implicaties voor de pluimveehouder. Uit een NVWA-rapport van 2024 blijkt dat in de (door de studie opgevolgde) Nederlandse vleeskuikenslachthuizen 3,7% van de gescoorde Nederlandse tomen afwijkingen vertoonde (waarbij meer dan 50% van de toom letsels had aan poten, hakken of borst), tegenover 42,3% van de Belgische tomen die daar ook standaard mee gescoord werden.
Op deze foto zijn kalkoenpoten te zien met voetzoollaesies met een score 4. Hierbij werd bijna de volledige voetzool aangetast en kon je een duidelijke krater voelen.
Risicofactoren en preventie
Voetzoollaesies kunnen ontstaan door diverse (combinaties van) risicofactoren. Deze worden hieronder opgesomd met ook enkele tips ter preventie van voetzoollaesies.
1. Strooiselkwaliteit
Het strooisel heeft best een hoog waterbindend vermogen, maar moet ook in staat zijn om water af te geven. Goed opgewarmd strooisel heeft een hogere waterabsorptiecapaciteit. De strooiseldikte varieert naargelang het type strooisel van 1cm dikte (bij goed verwarmde vloer) tot 2-3cm dikte. Fijner strooisel of graan strooien kan het scharrelgedrag verhogen. Eventueel kan je het strooisel ook zelf losmaken zoals bij de kalkoenen vaak gebeurt. Dit zorgt ervoor dat de concentratie aan urinezuur in het strooisel daalt (wat goed is voor het vermijden van voetzoollaesies), maar zorgt anderzijds voor een stijgende ammoniakconcentratie in de stal. Nat strooisel wordt best verwijderd.
2. Bezettingsdichtheid
Meer dieren per m² oppervlakte zorgt voor meer mestproductie per m² en verhoogt zo de kans op natter strooisel. Dieren die dichter op elkaar zitten, kunnen minder vrij bewegen (zeker op het einde van de ronde) en door langer stil te zitten, hebben ze meer/langer contact met het strooisel. Vrouwelijke kalkoenen, die aan een hogere bezettingsgraad gehouden worden dan hun mannelijke soortgenoten, hebben beduidend meer voetzoolletsels.
3. Klimaat
De stal (en vloer) moeten tijdig voorverwarmd worden en het klimaat moet aangepast zijn aan de noden van de dieren. De (relatieve) vochtigheid moet continu gemonitord worden en ventilatie moet aangepast worden indien nodig (ook in de winter). Let op voor mogelijke condensvorming bij de openingen naar de wintertuin!
4. Drinkwater
Nippels met cup zijn aan te raden om natte plekken onder de drinklijnen te vermijden. De hoogte van de drinklijnen moet aangepast zijn aan de leeftijd van de dieren (met gestrekte hals drinken). Check regelmatig het waterverbruik om lekkages vroegtijdig op te sporen, alsook de waterkwaliteit!
Figuur 1. Het Nederlandse scoresysteem (WUR) is een vereenvoudiging van het WQP (Welfare Quality Protocol) scoresysteem. WQP-scores: 0=geen huidletsels, 1=oppervlakkige/kleine verkleurde zone (≤10% voetzoolkussen); 2=oppervlakkige medium/grote verkleurde zone (>10% voetzoolkussen); 3=diepe/ontstoken wonde (≤50% volledige voetzool); 4=diepe/ontstoken wonde (>50% volledige voetzool)
5. Voeder en darmgezondheid
Samenstelling van het voeder moet afgestemd zijn op de behoeften van de dieren naargelang hun leeftijd (bruuske faseovergangen zijn te vermijden). Voldoende structuur in het voeder is belangrijk voor een optimale ontwikkeling van het spijsverteringsstelsel en om darmgezondheidsproblemen te voorkomen. Een ideale water/voer-verhouding situeert zich rond de 1,75.
6. Licht
Bij een te plotse overgang van donker naar licht zullen veel kuikens tegelijk drinken wat kan zorgen voor extra vermorsing. De lichtsterkte moet voldoende hoog zijn zodat de kuikens actiever zijn en het licht moet gelijkmatig verdeeld zijn over de stal zodat de kuikens zich homogeen verspreiden.
7. Genetica en uitkomst in de stal
De invloed van genetica is minder duidelijk. Trager groeiende rassen zouden meer beweeglijk zijn maar zitten ook wel langer in de stal (en komen dus langer in contact met het strooisel). De effecten hiervan zijn niet eenduidig. Ine Kempen (Proefbedrijf Pluimveehouderij) gaf een korte toelichting rond haar ervaringen met uitkomst in de stal en het effect ervan op voetzoollaesies. Uit 3 proefrondes bleek dat er minder (en minder erge) voetzoollaesies optraden bij dieren die uitkipten in de stal. Ook de strooiselkwaliteit was hier merkbaar beter. Waaraan dit te wijten is, is nog niet helemaal duidelijk.
Hoe scoren?
Er bestaan verschillende scoresystemen voor voetzoollaesies (fig.1). Onderzoekers gebruiken vaak het Welfare Quality Protocol (WQP) waarin de ernst van de voetzoollaesies uitgedrukt wordt in een score van 0 (perfecte zool) t.e.m. 4 (diepe, ontstoken wonde over meer dan 50% van de volledige voetzool (incl. tenen)). In de Nederlandse slachthuizen worden deze scores herleid tot scores 0, 1 of 2. Score 1 is dan de verzameling voor de letsels met score 1 of 2 in het WQP; score 2 is de verzameling van scores 3 en 4 in het WQP. Tijdens de workshop konden de deelnemers voetzolen van zowel vleeskuikens als kalkoenen bekijken met scores 0 t.e.m. 4. Tijdens een afsluitende test werd de theorie in de praktijk omgezet bij het scoren van 20 verschillende voetzolen.
Tijdens de workshop konden de deelnemers zowel voetzolen van vleeskuikens als kalkoenen bekijken en scoren tijdens een kleine test. Om de juiste score te kunnen geven, was het ook belangrijk om te voelen aan de voetzolen.
Besluit
Voetzoollaesies komen frequent voor bij vleeskuikens en kalkoenen maar echte praktijkcijfers ontbreken. Tijdens de opleiding werden diverse risicofactoren aangehaald die aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van voetzoollaesies en werd erop gewezen hoe het risico zo minimaal mogelijk gehouden kan worden. Helaas bestaat er nog geen gouden oplossing op het moment dat er voetzoollaesies aangetroffen worden in de stal.
Auteurs: Karolien Langendries (Pluimveeloket) - Anneleen Watteyn & Dimitri Van Grembergen (ILVO-RefWel)
Publicatiedatum: Januari 2026
