PLUIMVEELOKET

Vraag

Ik zou graag mijn hoeveelheid leghennen uitbreiden in een mobiele stal, maar weet niet hoe het zit met wetgeving e.d. rond verkoop van eieren, huisvesting, registratie e.d. Heeft u hierover info?

Antwoord
Kort antwoord

Registratie

  • Heeft u in totaal minder dan 50 leghennen op uw bedrijf, dan is geen registratie nodig. Dit komt overeen met een productie van ongeveer 15.000 consumptie-eieren op jaarbasis -
  • Heeft u in totaal meer dan 50 leghennen op uw bedrijf, dan moet u zich registeren via DGZ.
    • Indien u meerdere tomen heeft op uw bedrijf, moet u meerdere beslagen aanvragen. Dieren van eenzelfde diersoort, van eenzelfde type, van eenzelfde leeftijd, van eenzelfde gezondheidsstatus en van eenzelfde huisvesting worden beschouwd als één toom.
    • Je kan ook kiezen voor een pluimveebedrijf met geringe capaciteit (kleinschalig; max. 4.999 dieren op bedrijf) (wordt hieronder uitgelegd in uitgebreid antwoord).
  • Verplichtingen na registratie:
    • Contract afsluiten met bedrijfsdierenarts
    • Geen verplichting tot individuele identificatie van de dieren
    • Bijhouden bedrijfsregister (wekelijks aanvullen)
    • Jaarlijkse retributie

Stempelen

  • Verplicht op alle leghennenbedrijven, met uitzondering van leghennenbedrijven die hun eieren rechtstreeks verkopen aan de eindverbruiker in kleine hoeveelheden bij elke levering en in overeenstemming met het KB van 07/01/2014 (zie hieronder voor definities).
  • Als je minder dan 50 leghennen houdt, maar je eieren op markten (gelegen op een afstand van meer dan 80 km van het productiebedrijf) wil verhandelen, moet je stempelen
  • Als je meer dan 50 leghennen houdt en je wil de eieren vermarkten (zowel op een dichte als een verre markt (referentiegrens 80 km)) moet je altijd stempelen.

Huisvesting

  • Voor bedrijven met minder dan 350 leghennen, moet voldaan zijn aan KB van 01/03/2000
  • Voor bedrijven vanaf 350 leghennen, geldt het KB van 17/10/2005
  • Mobiele stallen: definitie zie uitgebreid antwoord. Geen bouwvergunning nodig.

 

Uitgebreid antwoord
Welke wetgeving is van kracht?

Op 4 juli 2018 verscheen het Koninklijk Besluit van 25 juni 2018 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor pluimvee, konijnen en bepaald hobbypluimvee in het Belgische Staatsblad. Dit besluit verduidelijkt en detailleert de regels voor de registratie van pluimvee en konijnen en van hun bedrijven in SANITEL via een erkende vereniging van hun keuze (DGZ of ARSIA).

 
Wie moet zich registreren?

Voor pluimvee wordt een opsplitsing gemaakt tussen pluimvee bestemd voor de voedselketen en hobbypluimvee dat nooit in de voedselketen terechtkomt. Van zodra één dier in de voedselketen terechtkomt, moet het beslag geregistreerd worden in SANITEL. Hobbyhouders moeten zich registreren als ze meer dan 199 stuks pluimvee (uitgezonderd loopvogels) houden.

Alle bedrijven die pluimvee houden en/of pluimveeproducten afleveren ten behoeve van de voedselketen laten zich registeren. Wanneer pluimvee voor de productie van consumptie-eieren gehouden wordt en er minstens 15.000 eieren op jaarbasis rechtstreeks aan de eindconsument worden geleverd, moet het beslag geregistreerd worden. Dit staat gelijk met het houden van 50 leghennen of meer. Indien er minder dan 50 leghennen gehouden worden op het hele bedrijf, moet u zich niet laten registeren.

Een volledige lijst van wie zich verplicht moet laten registeren, kan u vinden op de site van DGZ.

 

Meerdere pluimveebeslagen mogelijk op één adres

Een pluimveehouder kan op 1 adres meerdere beslagen hebben. In sommige gevallen is het zelfs verplicht! Op één en hetzelfde beslag kan immers alleen maar pluimvee van eenzelfde toom gehouden worden. Dat wil zeggen: pluimvee van eenzelfde diersoort, eenzelfde type, met dezelfde leeftijd en gezondheidsstatus en in eenzelfde huisvestingstype. Wie meerdere tomen houdt, moet meerdere beslagen aanvragen.

Houdt u op uw bedrijf eenzelfde toom verspreid over meerdere stallen, dan heeft u de mogelijkheid om voor elke stal of voor een groep van stallen een apart beslag aan te vragen. In het geval er een ziekte uitbreekt, kan dat een voordeel betekenen. Bij een positieve laboratoriumuitslag is het zo dat er gekeken wordt per beslag. De maatregelen die nodig zijn om de ziekte te bestrijden, moeten toegepast worden op alle stallen die tot datzelfde beslagnummer horen. Indien de getroffen stal een apart beslagnummer had, dan blijven de maatregelen enkel beperkt tot die stal.

Stel dat er gekozen wordt voor meerdere pluimveebeslagen binnen het pluimveebedrijf, dan moeten de sanitair verantwoordelijke, het adres, de bedrijfsdierenarts en de bedrijfsbegeleidende dierenarts dezelfde zijn voor al deze beslagen.

Per gekozen beslag is een aparte productie-eenheid en voorruimte vereist. Een uitzondering hierbij is een pluimveebedrijf met geringe capaciteit. Dit betekent:

  • Dat u enkel gebruikspluimvee houdt (leg of vlees) en geen loopvogels. De combinatie van leg- en vleesproductie en verschillende opzetdata zijn toegelaten.
  • Dat er nooit meer dan 4.999 stuks pluimvee op de inrichting (dus op het geheel van beslagen die op hetzelfde adres geregistreerd zijn) aanwezig zijn
  • Dat u per diersubtype en per type huisvesting een apart beslag moet laten registreren
  • Dat u gescheiden compartimenten heeft per beslag
 
Hoe moet je pluimveebeslag registreren?

Hiervoor moet je het registratieformulier invullen en dit bezorgen aan DGZ (of ARSIA). Belangrijk is dat wanneer er wijzigingen zijn aan het beslag, u dit onmiddellijk laat weten aan DGZ. Elke verandering van gegevens, activiteiten of capaciteit moet voorafgaandelijk gemeld worden bij DGZ. Dit kan door de beslagfiche aan te vullen en terug te sturen naar DGZ. DGZ geeft dan op zijn beurt deze informatie door aan het FAVV.

 
Verplichtingen na registratie
  • Elk geregistreerd pluimveebedrijf moet een contract afsluiten met een bedrijfsdierenarts. Diezelfde dierenarts kan ook aangesteld worden als bedrijfsbegeleidende dierenarts (plaatsvervanger is niet verplicht). Indien het bedrijf over meerdere beslagen beschikt, moet de bedrijfsbegeleidende dierenarts voor al die beslagen dezelfde zijn. Hobbyhouders moeten geen contract aangaan met een dierenarts.
  • Het is geen verplichting om pluimvee individueel te identificeren; het is wel toegelaten indien de pluimveehouder dit zelf wil doen.
  • Voor elk beslag moet een bedrijfsregister afgesloten worden dat wekelijks aangevuld moet worden (binnen de 3 dagen na het einde van de week). De inhoud is wettelijk bepaald (KB 17 juni 2013), maar u kunt kiezen op welke manier u dit doet (layout) en of u dit doet op papier of digitaal. Dit register moet gedurende 5 jaar op het bedrijf worden bewaard.
    Het bedrijfsregister moet chronologisch volgende gegevens bijhouden per lot of per productieronde:
    • Datum van aanvoer en afvoer van de dieren
    • Aantal dieren
    • Herkomst en bestemming van de dieren
    • Productiviteit van de toom, waaronder: verbruik van voeder, gewichtstoename tijdens periode van vetmesting
    • Ziekte, sterfte en oorzaken ervan
    • Verslag van het slachthuis over de resultaten van de antemortem- en postmortemkeuringen
    • De bestemming van de eieren (in voorkomend geval)
    • Diverse registers (Verordening EG 852/2004) 
      • Aard en oorsprong van diervoeders 
      • Toegediende geneesmiddelen 
      • Aanwezigheid van ziekten 
      • Analyses 
      • Controles van dieren of producten van dierlijke oorsprong
  • Jaarlijkse retributie: elk actief pluimveebeslag ontvangt jaarlijks een factuur voor retributie. Het tarief hiervoor vindt u in de tarievenlijst.
 
Heb ik een toelating nodig van het FAVV?

Indien je meer dan 199 stuks pluimvee houdt, ben je als pluimveehouder ook verplicht om toelating te vragen aan het FAVV. Daarvoor moet u zelf geen actie ondernemen. Eens het ingevulde registratieformulier aan DGZ werd bezorgd, zal DGZ zelf de ‘aanvraag tot toelating voor het houden van dieren’ overmaken aan het FAVV.

Het FAVV controleert dan of de vestiging voldoet aan de toelatingsvoorwaarden die opgelegd werden om het betreffende pluimvee te houden en zal binnen de 30 dagen na aanvraag laten weten of de toelating al dan niet erkend wordt. Indien nodig kan ook een bedrijfsbezoek gepland worden om de omstandigheden van de vestiging te verifiëren.

Zodra het FAVV de toelating heeft toegekend, wordt de registratie in SANITEL afgerond en ontvangt u een beslagfiche van DGZ.

 
Moeten de eieren gestempeld worden?

In de Europese Verordeningen is de verplichting opgenomen om eieren te merken (stempelen) met een code die uniek is voor elk bedrijf. De bepalingen van Verordening (EG) Nr. 1308/2013, Verordening (EG) Nr. 589/2008 en van Richtlijn 2002/4/EG (omgezet door het KB van 3 mei 2003) gelden voor consumptie-eieren. Het stempelen van eieren is een verplichting in het kader van de handelsnormen. Bijkomend doel van het stempelen van consumptie-eieren is het verplicht kenbaar maken aan de consument van het houderijsysteem (huisvestingssysteem) van de legkip. Tegelijk is het stempelen ook een efficiënt middel voor de traceerbaarheid van de eieren. Het hebben van een goede traceerbaarheid is de verantwoordelijkheid van de producent van eieren. In deze omzendbrief wordt meer uitleg gegeven over hoe de unieke stempelcode wordt toegekend aan het leghennenbedrijf.

 
Uitzonderingen op stempelplicht

Er bestaan uitzonderingen op het verplicht stempelen van eieren. Die uitzonderingen worden weergegeven in de omzendbrief met betrekking tot de modaliteiten voor de afwijking van de stempelplicht voor kippeneieren. Zo’n afwijking op de stempelplicht wordt voorzien voor eieren, rechtstreeks verkocht door de producent aan de consument (en binnen bepaalde grenzen).

Indien de producent de eieren rechtstreeks verkoopt aan de eindverbruiker in overeenstemming met het KB van 7 januari 2014, moeten ze niet gemerkt worden; tenzij de producent meer dan 50 legkippen houdt en de eieren verkoopt op de markt. De eieren mogen ook niet worden ingedeeld naar kwaliteit en gewicht.

De “rechtstreekse verkoop aan de eindverbruiker” mag slechts plaatsvinden in kleine hoeveelheden bij elke levering en wordt verder gedefinieerd als verkoop

  • Op het productiebedrijf en/of
  • Via huis-aan-huisverkoop binnen een straal van 80 km rond de productieplaats en/of
  • Via automaten die opgesteld staan op het productiebedrijf of binnen een straal van 80 km rond het productiebedrijf en/of
  • Op markten binnen een straal van 80 km rond het productiebedrijf
    • Wanneer producenten met meer dan 50 legkippen hun eieren aanbieden op markten, is het stempelen van de eieren met een producentencode wél verplicht
    • Voor producenten met minder dan 50 legkippen, volstaat naam en adres van de productie-inrichting te vermelden op het verkooppunt.

Opgelet! Producenten met minder dan 50 legkippen die eieren verkopen op een manier die NIET wordt beschouwd als “rechtstreekse verkoop aan de eindverbruiker” (zoals bvb op markten die NIET binnen een straal van 80 km rond hun productiebedrijf gelegen zijn) kunnen NIET van de

vrijstelling genieten.

Andere afwijkingen van de stempelplicht zijn opgesomd in de omzendbrief.

Tabel: Overzicht registratie en merken/stempelen van eieren (Bron: KB 07/01/2014)

tabel wanneer stempelen
 
Huisvesting

Voor huisvesting van leghennen wordt vaak verwezen naar het Koninklijk Besluit van 17 oktober 2005 tot vaststelling van de minimumnormen voor de bescherming van legkippen. Dit besluit is echter niet van toepassing op kippenhouderijen met minder dan 350 leghennen. Op deze kippenhouderijen is het KB van 1 maart 2000 (inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren) van toepassing.

 
Mobiele stallen

Volgens de brochure “Huisvesting van leghennen” (Dep. Landbouw & Visserij, 2009) zijn mobiele stallen per definitie verplaatsbaar; hetzij verrijdbaar, hetzij verschuifbaar. De stallen zijn verplaatsbaar met die beperking dat ze vlot toegankelijk moeten zijn en voorzien zijn van water- en energietoevoer. Meestal zijn dergelijke stallen geschikt voor enkele honderden tot een paar duizend kippen. De voordelen van een mobiele stal zijn duidelijk aldus de brochure: er kan snel worden uitgebreid, de kwaliteit van de uitloop kan gehandhaafd worden door de stal regelmatig te verplaatsen en er is geen bouwvergunning vereist. De nadelen situeren zich voornamelijk op het vlak van onzekerheden rond bvb. duurzaamheid en arbeidsvereisten. De inrichting van dergelijke eenheden is gewoonlijk vergelijkbaar met een grondstal.

Nog vragen?

Bronnen:

Dit antwoord werd door het Pluimveeloket met de meeste zorg en nauwkeurigheid opgesteld. Er wordt evenwel geen enkele garantie gegeven omtrent de juistheid of de volledigheid van het antwoord op uw vraag. De gebruiker van dit antwoord ziet af van elke klacht tegen het Pluimveeloket, of zijn medewerkers, van welke aard ook, met betrekking tot het gebruik van het gegeven antwoord. In geen geval zal het Pluimveeloket of zijn medewerkers aansprakelijk gesteld kunnen worden voor eventuele nadelige gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van dit antwoord.

Versie:
1
Onderwerp:
Registratie kleinschalige leghennenhouderij
Datum:
12-12-2019