PLUIMVEELOKET

WELK EFFECT HEBBEN CONCEPTKIPPEN OP PRESTATIES, VLEESKWALITEIT, SMAAK EN WELZIJN EN HOEVEEL DUURDER MOET EEN CONCEPTKIP ZIJN?

 

In het demonstratieproject ‘De Andere Kip’ werden zowel op het ILVO als op het Proefbedrijf Pluimveehouderij proeven uitgevoerd met twee verschillende vleeskuikenconcepten. Het ene concept had meer aandacht voor dierenwelzijn, het andere voor milieu. In een vorig artikel in dit blad kon u lezen hoe beide concepten tot stand zijn gekomen. In dit artikel kan u de resultaten nalezen van de prestatieproeven op beide onderzoeksinstellingen, de welzijns- en vleeskwaliteitsmetingen en het smaakpanel aan het ILVO, en de bedrijfseconomische analyse door het Proefbedrijf Pluimveehouderij.

Achtergrond project

Het demonstratieproject ‘De Andere Kip’, gefinancierd door het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, loopt nog tot eind juni. Partners Inagro, ILVO, Proefbedrijf Pluimveehouderij, Landsbond Pluimvee en UGent wilden hierin aantonen hoe een alternatieve vleeskip in de Vlaamse markt gezet kan worden vanuit een coöperatieve samenwerking. Welk effect de verschillende conceptvoorwaarden hadden op zowel prestaties als smaak, welzijn en vleeskwaliteit werd onderzocht aan het ILVO. Het Proefbedrijf Pluimveehouderij voerde naast een prestatieproef ook een bedrijfseconomische analyse uit. Daarin werd berekend wat de meerprijs is voor de verschillende concepten om een gelijkaardig saldo op te leveren voor de pluimveehouder t.o.v. het kweken van standaardkippen (aan 42 kg/m²).

Opzet prestatieproeven

De prestatieproeven aan het ILVO en op het Proefbedrijf Pluimveehouderij kenden een gelijkaardige proefopzet (tabel 1).

proefopzet

Tabel 1: Proefopzet van de prestatieproeven aan ILVO en Proefbedrijf Pluimveehouderij was gelijkaardig. ILVO voerde nog extra metingen uit rond vleeskwaliteit, dierenwelzijn en smaak; Proefbedrijf Pluimveehouderij deed een extra bedrijfseconomische analyse 


Concept 1 (WELZIJN) besteedde meer aandacht aan dierenwelzijn. Het was een trager groeiend ras (Hubbard 757), geslacht op 56 dagen waarbij niet uitgeladen werd. Bezettingsdichtheid was 36 kg/m² met ongeveer 14,5 dieren per m² bij opzet. De dieren werden in 4 fasen gevoederd: starter (dag 0 –dag 11), groeier 1 (dag 11 - dag 25), groeier 2 (dag 25 – dag 42) en finisher (dag 42 – dag 56). Het startervoeder werd verstrekt in pelletvorm, de rest als meel. Er werd geen prestarter gegeven. Door het werken in kleinere proefhokken op het ILVO was extra verrijking niet mogelijk in de vorm van (kleine) strobalen. Deze werden wel voorzien in het Proefbedrijf Pluimveehouderij alsook extra zitstokken.


Concept 2 (MILIEU) gaf meer aandacht aan het milieu. Het ging om een reguliere kip (Ross 308), geslacht op 42 dagen op ILVO en op 40 dagen in het Proefbedrijf. Een week voor slachten werd ca. 20% uitgeladen waardoor een hoger aantal dieren per m² opgezet werd (ongeveer 17,5 dieren). Aan het ILVO kregen de dieren in 3 fasen pellets gevoederd: starter (dag 0 – dag 11), groeier (dag 11 – dag 25) en finisher (dag 25 – dag 42). ILVO diende ook een prestarter toe en mengde in het voeder extra alternatieve eiwitbronnen in zoals erwten, zonnepit- en koolzaadschroot. Op het Proefbedrijf Pluimveehouderij werden de dieren in 4 fasen gevoederd: starter (dag 0 – dag 9), groeier 1 (dag 9 –dag 17), groeier 2 (dag 17 – dag 28) en finisher (dag 28 – dag 40). Starter was een kruimel, de rest korrels. Prestarter werd enkel op het kuikenpapier toegevoegd. Als verrijkingsmateriaal werden in het Proefbedrijf Pluimveehouderij opnieuw kleine strobalen en zitstokken gebruikt.


Naast deze concepten werd op ILVO ook een extra groep opgezet, nl. reguliere (standaard)kippen aan 42 kg/m². Dit werd gedaan met het oog op de smaaktest zodat de smaak van het WELZIJNs-concept kon vergeleken worden met die van de (huidige) standaardkip (aan 42 kg/m²).

strobalen

Strobalen werden gegeven als extra verrijkingsmateriaal in de stal bij beide concepten (Beeld: Proefbedrijf Pluimveehouderij)

Prestaties

Zoals verwacht was er, zowel bij ILVO als bij het Proefbedrijf Pluimveehouderij, een significant verschil te zien in dagelijkse groei, totale voederopname en dus ook in voederconversie (VC). De hieronder weergegeven cijfers zijn afkomstig van het Proefbedrijf Pluimveehouderij, gezien zij met deze cijfers ook verder werkten in hun bedrijfseconomische analyse (zie later in het artikel). De resultaten op ILVO waren gelijkaardig. De gemiddelde dagelijkse groei bij het MILIEU-concept bedroeg 62,7 g/d en bij het WELZIJNs-concept 44,0 g/d. Totale voederopname bij het MILIEU-concept was 3,541 kg/opgezet kuiken, bij het WELZIJNs-concept was dit 4,845 kg/opgezet kuiken. Dit leidde tot een VC van 1,462 bij het MILIEU-concept en een slechtere VC van 2,012 bij het WELZIJNs-concept.

Dierenwelzijn en vleeskwaliteit

Naast de prestaties werden op ILVO ook dierenwelzijnsparameters, vleeskwaliteit en smaak onderzocht. Voor wat dierenwelzijn betreft, werden strooisel-, hak- en voetzoollaesiescores uitgevoerd. Zoals verwacht, waren strooisel- en voetzoollaesiescores duidelijk beter voor het WELZIJNs-concept (fig.1). Wat slachtrendement betreft: dit was significant hoger bij het MILIEU-concept (fig. 2) met duidelijk hogere percentages borstfilet.

strooiselscore

Fig.1: Strooiselscore (hoe hoger de score, hoe slechter het strooisel). Het WELZIJNs-concept heeft een betere strooiselkwaliteit op het einde van de ronde (Bron: ILVO)

 

voetzoollaesiescore

Fig.2: Voetzoollaesiescore (hoe hoger de score, hoe slechter de voetzolen). Het WELZIJNs-concept scoort beter op deze dierenwelzijnsparameter (Bron: ILVO)

Smaaktest

ILVO organiseerde in dit project een smaaktest waarbij stukjes borstfilet van het WELZIJNs-concept werden vergeleken met stukjes borstfilet van standaardkippen (aan 42 kg/m², derde ILVO-groep). Op één bord werden bvb. twee stukjes van het WELZIJNs-concept gelegd en één stukje van de standaardkip (of net omgekeerd). De proevers moesten van de drie stukjes borstfilet op het bord het ‘andere’ stukje eruit halen (triangeltest). Resultaat was dat met 99,9% zekerheid gesteld kan worden dat er effectief een verschil is tussen het borstfilet-vlees van het WELZIJNs-concept en dat van de standaardkip (bij 42 kg/m²). De borstfilet van de reguliere standaardkip werd beschouwd als duidelijk malser en sappiger (significante verschillen). Er werd in de test ook gevraagd naar welk stukje borstfilet de voorkeur van de proever uit ging, maar hierop waren de meningen verdeeld. Uit de test kon geen uitgesproken voorkeur besloten worden.

oven

 

Voor de smaaktest aan het ILVO werden borstfilets van het WELZIJNs-concept en van de standaardkippen gelijkmatig gegaard in de oven tot een temperatuur van 72°C (d.m.v. sensoren)

Bedrijfseconomische vergelijking

Extra voorwaarden voor een kipconcept betekenen ook extra kosten voor de pluimveehouder. Maar om hoeveel gaat het precies? Om hierop een antwoord te kunnen formuleren, voerde het Proefbedrijf Pluimveehouderij een bedrijfseconomische analyse uit voor beide concepten. Ze baseerden zich hiervoor op de Nederlandse KWIN-methode (Kwantitatieve Informatie Veehouderij door Wageningen Universiteit). Daarbij worden saldo’s berekend op basis van technische kengetallen en prijzen. Kengetallen die in rekening gebracht moeten worden zijn o.a. productieperiode, leegstand, VC, bezetting, kuikenprijs, voederprijs, opbrengstprijs, maar ook een aantal ‘overige kosten’ zoals elektriciteit, verwarming, strooisel, gezondheidszorg, vang- en laadkosten, enz. In het project werd geopteerd om de ‘overige kosten’ voor beide concepten gelijk te nemen (cijfers uit de KWIN werden hiervoor gebruikt) en een aantal kosten niet op te nemen wegens té bedrijfsafhankelijk (o.a. afschrijvingen, mestafzet, materiaal). De technische cijfers zijn uiteraard afkomstig van de proeven die in het kader van het project uitgevoerd werden op het Proefbedrijf.

Resultaten economische berekening

Uit deze analyse werd duidelijk dat het WELZIJNs-concept zónder wintertuin 34,7% duurder is dan een standaardkip (42 kg/m²). Wanneer er bij het WELZIJNs-concept ook een wintertuin wordt gevraagd, stijgt de meerprijs naar 35,9% (t.o.v. de standaardkip). Kanttekening hierbij is dat enkel de investeringskost voor de wintertuin werd meegerekend. Eventuele kosten voor aanpassing aan ventilatie of effecten op technische resultaten als gevolg van de wintertuin werden hierin nog niet verrekend. Voor het MILIEU-concept moet een meerprijs van 1,7% betaald worden t.o.v. de reguliere kippen aan 42 kg/m² om hetzelfde saldo te bekomen voor de pluimveehouder.

Basis voor coöperatie

In het project werden ook enkele voorbeelden tot lastenboeken opgesteld en werd door UGent ook een marketingstrategie uitgedokterd om deze concepten tot een succes te maken. Dit kan als basis dienen voor een coöperatie die met deze (of andere) concepten wil starten.

Besluit

Uit de prestatieproeven, uitgevoerd aan zowel ILVO als het Proefbedrijf Pluimveehouderij, bleek (zoals verwacht) dat de technische parameters (dagelijkse groei, VC) duidelijk beter waren voor het MILIEU-concept in vergelijking met het WELZIJNs-concept. Ook het slachtrendement was beter bij het MILIEU-concept met een hoger % borstfilet. Welzijnsparameters als strooisel- en voetzoollaesiescores scoorden dan weer beter bij het WELZIJNs-concept. Het borstfilet-vlees van de reguliere standaardkip (aan 42 kg/m²) werd als malser en sappiger gescoord t.o.v. het WELZIJNs-concept tijdens de smaaktest. Een uitgesproken voorkeur kon evenwel niet gedetecteerd worden in deze test.

Via een bedrijfseconomische analyse werd berekend dat er voor het MILIEU-concept 1,7% meer betaald zou moeten worden om hetzelfde saldo te bekomen dan wanneer reguliere kippen aan 42 kg/m² gehouden worden. Voor het WELZIJNs-concept zonder wintertuin bedraagt de meerprijs 34,7%. Voor het WELZIJNs-concept met wintertuin loopt deze meerprijs verder op tot 35,9%.

Tekst: Karolien Langendries (PLUIMVEELOKET) - juni 2020

demoproject